Loopbaanonderbreking medische bijstand

Algemeen

Om bijstand of verzorging te verlenen aan een gezinslid of een familielid tot de tweede graad dat lijdt aan een zware ziekte heeft het personeelslid het recht om:

  • hetzij zijn arbeidsprestaties volledig te schorsen, zoals bedoeld bij artikel 100 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen;
  • hetzij zijn voltijdse arbeidsprestaties te verminderen met 1/5de of de helft, zoals bedoeld in artikel 102 van dezelfde wet.

In afwijking van het voorgaande lid heeft een personeelslid dat, anders dan in toepassing van de voormelde wet van 22 januari 1985, tewerkgesteld is in een deeltijdse arbeidsregeling, waarvan het normaal gemiddeld aantal arbeidsuren per week ten minste gelijk is aan drie vierden van het gemiddeld voltijds aantal arbeidsuren van een personeelslid dat voltijds is tewerkgesteld bij hetzelfde bestuur, het recht om voor dezelfde redenen over te gaan naar een deeltijdse arbeidsregeling waarvan het aantal arbeidsuren gelijk is aan de helft van het aantal arbeidsuren van de voltijdse arbeidsregeling.

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder gezinslid, elke persoon die samenwoont met de werknemer en als familielid zowel de bloed als de aanverwanten tot de tweede graad.
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder zware ziekte elke ziekte of medische ingreep die door de behandelende arts als zware ziekte wordt beschouwd en waarbij de arts oordeelt dat elke vorm van sociale, familiale of emotionele bijstand of verzorging noodzakelijk is voor het herstel.

Het bewijs van de aangehaalde reden tot schorsing of tot vermindering van de arbeidsprestaties wordt geleverd door het personeelslid bij middel van een attest afgeleverd door de behandelende geneesheer van het zwaar zieke gezinslid of familielid tot de tweede graad, waaruit blijkt dat de werknemer zich bereid verklaard heeft bijstand of verzorging te verlenen aan de zwaar zieke persoon.

Periode

  • Het hier bedoelde recht op volledige schorsing van de arbeidsprestaties wordt beperkt tot maximum 12 maanden per patiënt.
  • De onderbrekingsperioden kunnen enkel opgenomen worden met periodes van minimum 1 maand of maximum 3 maanden, aaneensluitend of niet, tot de maximumtermijn van 12 maanden bereikt is.
  • Het hier bedoelde recht op vermindering van de arbeidsprestaties wordt beperkt tot maximum 24 maanden per patiënt.
  • De periodes van vermindering van arbeidsprestaties kunnen enkel opgenomen worden met periodes van minimum 1 maand of maximum 3 maanden, aaneensluitend of niet, tot de maximumtermijn van 24 maanden bereikt is.
  • Voor het personeelslid dat alleenstaand is, wordt, in geval van zware ziekte van zijn kind dat hoogstens 16 jaar oud is, de maximumperiodes van de hier bedoelde schorsing van de arbeidsprestaties verdubbeld tot respectievelijk 24 en 48 maanden. Onder alleenstaande wordt verstaan het personeelslid dat uitsluitend en effectief samenwoont met één of meerdere van zijn kinderen.
  • De periode van de hier bedoelde medische bijstand wordt niet aangerekend op de maximumperiode van 60 maanden in zake loopbaanonderbrekingsverlof.

Bij hospitalisatie van een minderjarig kind

Medewerkers kunnen 'voor de bijstand of de verzorging van een minderjarig kind, tijdens of vlak na de hospitalisatie van het kind als gevolg van een zware ziekte’, hun arbeidsprestaties volledig schorsen voor één week, aansluitend verlengbaar met één week. Dit zijn de personen die samenwonen met de medewerker, en de bloedverwanten en aanverwanten tot de tweede graad. De medewerker zal moeten bewijzen dat hij bereid is om hen bij te staan of te verzorgen.

De voltijdse medewerker kan kiezen voor een volledige schorsing van de arbeid of een vermindering van de arbeid met 1/5 of 1/2.
Het gaat hier om elke ziekte of medische ingreep die door de behandelende geneesheer van het zwaar zieke kind als dusdanig wordt beschouwd, en waarbij de geneesheer oordeelt dat elke vorm van sociale, familiale of emotionele bijstand of verzorging noodzakelijk is. Naast een attest van de behandelende geneesheer is ook een attest van het betrokken ziekenhuis (bewijs van hospitalisatie) vereist.

De maatregel is van toepassing op:

  • de medewerker die ouder is (eerste graad) van het zwaar zieke kind en die ermee samenwoont;
  • de medewerker die samenwoont met het zwaar zieke kind en belast is met de dagelijkse opvoeding.

Wanneer deze medewerkers hiervan geen gebruik kunnen maken, dan kan het recht uitgeoefend worden door de ouder (eerste graad) van het zwaar zieke kind die er niet mee samenwoont. Is ook dit niet mogelijk, dan kan een familielid tot de tweede graad het verlof opnemen.

In geval van toepassing moet het personeelslid het bewijs leveren van de relatie met het kind door middel van een attest dat wordt afgeleverd door de gemeentelijke overheid.
De medewerker moet minstens 7 kalenderdagen vooraf een schriftelijke aanvraag indienen. Er kan afgeweken worden van die termijn, wanneer de hospitalisatie van het kind onvoorzienbaar is.

In dat geval bezorgt de medewerker zo spoedig mogelijk een attest van de behandelende geneesheer van het zwaar zieke kind waaruit het onvoorzienbaar karakter van de hospitalisatie blijkt. Dit geldt ook wanneer dat verlof verlengd wordt met een week.

Procedure

  1. Het personeelslid dat van het recht gebruik wenst te maken dient een schriftelijke aanvraag in bij Personeelsdienst;
  2. Deze kennisgeving gebeurt minstens zeven dagen vóór de ingangsdatum van de schorsing of de vermindering van de arbeidsprestaties, tenzij beide partijen schriftelijk een andere termijn overeenkomen;
  3. In de schriftelijke aanvraag moet het personeelslid de periode vermelden gedurende welke hij zijn arbeidsprestaties schorst of vermindert en hij moet het bovenvermelde attest van de behandelende arts van de zwaar zieke bijvoegen;
  4. In geval van toepassing van het de regeling voor alleenstaanden (verdubbeling maximale periode van schorsing) moet het personeelslid bovendien het bewijs leveren van de samenstelling van zijn gezin door middel van een attest dat wordt afgeleverd door de gemeentelijke overheid en waaruit blijkt dat de werknemer op het moment van de aanvraag uitsluitend en effectief samenwoont met één of meerdere van zijn kinderen;
  5. Voor iedere verlenging van een periode van de hier bedoelde schorsing of vermindering van de arbeidsprestaties moet het personeelslid dezelfde procedure volgen en het vereiste attest of in voorkomend geval de twee vereiste attesten indienen;
  6. Binnen twee werkdagen na de ontvangst van de bovenvermelde schriftelijke kennisgeving kan de werkgever het personeelslid ervan in kennis stellen dat de ingangsdatum wordt uitgesteld om redenen die verband houden met het functioneren van de dienst.
  7. De kennisgeving van het uitstel gebeurt door de overhandiging van een geschrift aan het personeelslid waarin de reden en de duur van het uitstel worden vermeld.
  8. De duur van het uitstel bedraagt zeven dagen.

Regelgeving

Koninklijk besluit van 2 januari 1991 betreffende de toekenning van onderbrekingsuitkeringen

Deel deze pagina